Van Eijk. Commentaar op: Dick Slagter (2020). 400.000 Generaties. De evolutie van de mens volledig en sluitend verklaard.
Op de achterkant van het boek staat: “De mens evolueerde uit een dier dat als twee druppels water leek op de chimpansee. De chimpansee is sindsdien min of meer zichzelf gebleven, maar wij niet. Wij verloren onze vacht, gingen rechtop lopen, werden monogaam, gingen praten en kregen grote hersenen. We lijken nauwelijks meer op de aap die we ooit waren. Sinds Darwin zijn er inmiddels ruim 150 jaar verstreken en al die tijd hebben tal van wetenschappers uit de gehele wereld getracht het verhaal van onze evolutie te reconstrueren. Dat heeft een schat aan belangwekkende feiten opgeleverd op de meest uiteenlopende terreinen. Toch heeft al die kennis ons nog niet veel wijzer gemaakt. Losse weetjes vertellen nu eenmaal geen verhaal, daar is meer voor nodig. Om dat te kunnen doen moeten al die feiten betekenisvol met elkaar worden verbonden. Pas dan kan onze evolutie begrijpelijk worden gereconstrueerd.
Dit boek vertelt dat indrukwekkende verhaal van ons allemaal in heldere, pakkende taal en doet dat net zo wetenschappelijk verantwoord als de feiten zelf. De grote betekenis daarvan is dat het ons kan vertellen wie we zijn als we daarvoor openstaan. In onze tijd is dat belangrijker dan ooit, want de mensheid wordt momenteel geplaatst voor uitdagingen en problemen die groter en complexer zijn dan onze voorouders ooit hadden kunnen dromen. Als we daaraan het hoofd willen bieden is het van groot belang inzicht te hebben in de precieze aard van onze wortels en onze diepste drijfveren. Wat geldt voor ieder mens persoonlijk, geldt vermoedelijk ook voor de mensheid als geheel. Je weet pas wie je bent als je je historie kent”.
Inleiding
Ter introductie volgt hier een fragment van de website van Dick Slagter (DS) waarin hij vertelt hoe hij via een plotseling inzicht/beeld tot het schrijven van zijn boek is gekomen. De onderliggende vraag is: waardoor zijn mensen rechtop gaan lopen? “En toen flitste zomaar uit het niets een beeld door mijn hoofd. Dit is wat ik zag: een onbehaarde chimpansee-achtige moeder die op de grond rechtop stond met een kind in haar twee armen. Precies zoals de tekening op het omslag van 400.000 GENERATIES, maar dan zonder man erbij. Dat was alles. Het was niet veel, maar ik was als door de bliksem getroffen en wist direct wat het betekende.
Je moet namelijk weten dat chimpanseemoeders hun kind de eerste jaren onder de buik of op de rug vervoeren. Dat doen alle primaten. Primatenbaby’s kunnen zichzelf namelijk nog niet goed voortbewegen, ze zijn daarvoor te hulpeloos. Het kind helpt de moeder een beetje door haar
lichaamshaar met de handjes en voetjes vast te grijpen. Zo zit het kind stevig genoeg en kan moeder zonder ongelukken klimmen in de bomen, op zoek naar voedsel en veiligheid. Maar kijk eens naar ons. Wij hebben geen haar op het lijf, onze huid is glad. Onze kinderen kunnen zich nergens aan vastgrijpen en daarom moesten onze voorouderlijke moeders het kind met twee armen vasthouden, anders viel het van haar af. Dit dwong onze voorouders ertoe zich met een kind in beide armen op de grond op twee benen voort te bewegen.
Het beeld dat als een flits bij me binnenkwam bleek als een sleutel te zijn die toegang gaf tot de deur van een heel groot huis. Eenmaal binnen bleken daar nog heel veel andere deuren op slot te zitten, maar als je de sleutel in precies de juiste volgorde in alle deuren stak gingen ze keurig open. Zo heb ik het hele huis mogen verkennen en kan ik na 12 jaar lezen, denken, schrijven en heel veel schrappen daadwerkelijk zeggen een boek te hebben geschreven”.
Hieronder wordt commentaar gegeven op een aantal mijns inziens cruciale aspecten uit het interessante boek van Slagter.
1. Natuurlijke selectie
In de Proloog van zijn boek schrijft Dick Slagter (DS): “Onze meest onderscheidende en opvallende eigenschappen, zoals het vachtloze lichaam, het rechtop lopen, de monogame relatie in grote groepen, taal en grote hersenen, blijken in het geheel niet te passen in de normale primatologische patronen… Dit duidt erop dat de chimpansee [het dier waarmee de mens een gemeenschappelijke voorouder deelt] en de mens een fundamenteel verschillende evolutie moeten hebben
doorgemaakt” (p10). “De eerste drie eigenschappen blijken aan de basis van onze soort te staan en hangen verassend genoeg ten nauwste met elkaar samen” (p11).
DS zegt ook: “Onze voorouders hebben meer dan eens geleefd op het randje van uitsterven, in een
doorgaans nauw begrensd gebied en onder voor oorspronkelijk bosminnende en fruitetende
primaten vaak ronduit hachelijke condities… Onze tot voor kort nog uiterst zeldzame voorouders hebben ongeveer 400 duizend generaties lang talloze voetstappen gezet op hun even kronkelige als gevaarlijke evolutionaire weg naar het heden” (p12).
TvE: In de Proloog van zijn boek maakt DS al gelijk duidelijk hoe onderscheidend en hachelijk het evolutionaire proces van de mens is geweest, zoals verderop ter sprake zal komen.
Eerst wordt hier het proces van natuurlijke selectie, zoals gepresenteerd door DS, weergegeven (p91).De verschillende sleutelbegrippen in bovenstaand schema worden hieronder gedefinieerd (zie de
pagina’s 494-6 in zijn boek).
- Het biologisch algoritme: het proces dat bestaat uit de stappen geboorte, groei, reproductie en dood.
- Het intellectueel algoritme: het proces dat bestaat uit de stappen waarnemen, onthouden, combineren, selecteren en bewegen.
- Intelligentie: Het vermogen van een individu om met behulp van waarnemingen variabele bewegingen te coördineren.
- Groepsselectie: Selectie op eigenschappen van een individu met intelligentie die bijdragen aan het doelgericht samenleven met soortgenoten in een groep.
- Territoriumselectie: Selectie op eigenschappen van een individu met intelligentie die bijdragen aan het bezit van een eigen territorium dat niet gedeeld wordt met concurrerende soortgenoten.
- Bindingsselectie: Selectie op eigenschappen van een individu met intelligentie die bijdragen aan het aangaan van een band met een soortgenoot.
- Seksuele selectie: Selectie door een individu van één van beide seksen van een soort met intelligentie op eigenschappen van de eigen of de andere sekse die leidt tot paring en vruchtbare nakomelingen.3
DS: “De biologische complexiteit die in de afgelopen 4,3 miljard jaar is opgebouwd is ontstellend groot. Dit lijkt in schril contrast te staan met de eenvoud van het anorganische materiaal waaruit het leven is opgebouwd en de twee simpele algoritmes die daarop van toepassing zijn geweest. Dat lijkt bijzonder ongerijmd. Het is bijna niet te bevatten dat met zo weinig zo veel kon worden verwezenlijkt” (p92).
TvE: Misschien is het wel ongerijmd? De opmerking dat ‘leven’ is opgebouwd uit eenvoudig anorganisch materiaal houdt in dat DS een positivistisch ontologisch standpunt hanteert. De onderliggende vooronderstelling is dat de wereld materialistisch is. We komen hierop terug.
2. Instinct
Instinct wordt als volgt door DS gedefinieerd: “Gedrag dat genetisch is vastgelegd, spontaan wordt vertoond en niet of nauwelijks door vallen en opstaan geleerd hoeft te worden” (p495,55). Hij vervolgt: “Instinct duidt beslist niet op het ontbreken van intelligentie. Integendeel, het is er juist de uitkomst van. Instinct geeft er blijk van dat de betreffende soort in het verleden consequent en vele generaties lang fitte variaties in het eigen gedrag heeft geselecteerd die vanwege het grote evolutionaire voordeel gaandeweg genetisch zijn vastgelegd. Instinct komt bij vrijwel alle dieren met intelligentie voor, ook bij de mens. Dat blijkt onder meer uit het instinctmatig zoeken naar de moedertepel door een pasgeboren baby met schokkerige bewegingen van het hoofd. De baby’s van onze voorouders die over dit instinct beschikten hadden kennelijk de grootste kans volwassen te worden” (p56/7).
TvE: Het is positief dat DS instinct duidelijk definieert. In veel (semi)wetenschappelijke literatuur wordt geen onderscheid gemaakt tussen instinct, onderbuikgevoelens en intuïtie. Terwijl instinct en intuïtie mijns inziens tot verschillende vormen van gedrag leiden.5 Instinctmatig gedrag is puur re-actief gedrag, terwijl intuïtief gedrag pro-actief is. Instinctmatig gedrag vindt plaats op een niveau van bewustzijn dat onderbewust is (niet onbewust want dan ben je buiten bewustzijn), terwijl intuïtief gedrag plaatsvindt op een niveau van bewustzijn dat ‘bovenbewust’ is (oftewel een niveau dat het gangbare rationeel-empirisch bewustzijn transcendeert). DS: “Met de hersencellen die een baby bij zijn geboorte meegekregen heeft kan hij nog maar weinig aanvangen. De hersenen zijn bij de geboorte nog slechts gevuld met enkele instincten, zoalshuilen, schokkerige bewegingen met het gehele lichaam, grijpen met de vuistjes en zuigen… De hersenen vertegenwoordigen een nog onontsloten leervermogen dat wordt vrijgemaakt door het opstarten van het intellectueel algoritme” (p319).
TvE: Dit zijn inderdaad voorbeelden van puur instinctmatig gedrag bij baby’s. Ook volwassenen vertonen instinctmatig gedrag zoals de bekende fight, flight, freeze and flock reacties.
DS: “Het oorlogsgeweld tussen groepen [van nomadische jagers en verzamelaars] staat in schril contrast met het streven naar harmonie binnen de eigen groep. Net als bij chimpansees is de groepsmoraal voor deze tegenstelling vermoedelijk de basis, het is de altijd aanwezige vruchtbare voedingsbodem voor zowel vreedzaamheid jegens naasten als geweld jegens vreemden” (p176).
TvE: Dit is het onderscheid tussen in- and outgroup denken en het daaraan gerelateerde gedrag. Hier speelt ook vooral het instinctmatige flock (kudde) gedrag een rol.
3. Moraliteit bij chimpansees
DS: “Het uitermate diverse en complexe sociale gedrag van chimpansees, dat onder meer tot uiting komt in onderlinge mannenstrijd, manipulatief paargedrag, politieke spelletjes, troost, vriendschap, verzoening, empathie, economisch handelen, geweten, groepsmoraal, jacht en oorlog zou zonder
een rijke en pluriforme communicatie volstrekt onmogelijk zijn” (p140). “Een punt dat opvalt is de uitzonderlijk hoge graad van sociale en politieke intelligentie die chimpansees hebben bereikt. Ze houden er een geweten, groepsmoraal en theory of mind op na en voeren zelfs oorlog met naburige groepen” (p221).
TvE: Met betrekking tot oorlog voeren spelen zeker de hierboven genoemde instinctmatige fight, flight and flock reacties een rol. In welke mate bij oorlog voeren ook geweten, groepsmoraal en theory of mind een rol spelen is een interessante en relevante vraag. Wat heeft in bepaalde situaties de overhand: instinct of geweten/moraal of spelen beide een rol? We komen hierop terug.
DS: “Bij de interpretatie van gedrag [vooral van de zo nauw aan ons verwante chimpansees] ligt het gevaar van antropocentrisme op de loer, het centraal stellen van de mens en het vanuit die positie toeschrijven van menselijke gevoelens en motieven aan andere soorten… Gedrag is niets
anders dan de laatste stap in het intellectueel algoritme… Chimpansees nemen waar, onthouden de waarnemingen en combineren die tot ideeën die ze selecteren en in praktijk brengen, zoals coalitie [vorming]… of wat dan ook” (p120). Met betrekking tot [bijvoorbeeld] het wederzijdse vlooien: “Apen die terugvlooien bewijzen als het ware een wederdienst en dat wordt gewaardeerd. Het is gewoon voor wat hoort wat, of ingewikkelder geformuleerd, wederzijds altruïsme… Voor wat hoort wat is kennelijk gewoon een biologisch verschijnsel… Hieruit kan worden afgeleid dat [de chimpansee] beschikt over zelfkennis, want anders kan hij niet begrijpen wie aan hem wat gegeven heeft en wat hij zelf aan een ander heeft geleverd” (p122).
“Verder redenerend in deze trant wordt duidelijk dat een chimpansee een mentale korte termijn administratie bij moet houden van geleverde en ontvangen diensten… Als een investering wordt terugbetaald, is in economische zin sprake van een win-winsituatie… Het vlooigedrag, het delen van voedsel en tal van andere gedragsvormen waarbij wederzijds en indirect altruïsme een rol spelen geven er blijk van dat onze broer een groot conceptueel denkvermogen moet bezitten” (p123). [indirect altruïsme verwijst ernaar dat een dienst ook later en op een andere wijze kan worden gecompenseerd].
TvE: ‘Voor wat hoort wat’ kan inderdaad gezien worden als een gewoon biologisch verschijnsel in de zin dat het onderdeel uitmaakt van het bredere evolutionaire proces. In hoeverre dit wederzijds altruïsme verwijst naar ‘een groot conceptueel denkvermogen in de zin van het bijhouden van een mentale korte termijn administratie’ is een interessante vraag. Wederzijds altruïsme wordt zichtbaar in daadwerkelijk gedrag dat wetenschappelijk ‘gemeten’ kan worden, maar hoe een mentaal denkvermogen wordt omgezet in fysiek-lichamelijk gedrag blijft een vraag, zowel bij de chimpansee
als de mens. Dit is en blijft ‘the hard problem of consciousness’. In hoeverre de chimpansee en de mens verschillen in de mate van conceptueel denkvermogen is een andere vraag?
DS: “De leden van een groep (chimpansees] zullen snel in de gaten hebben welke individuen over het algemeen een bijdrage leveren of niet en ze zullen dat duidelijk laten merken door waardering of afwijzing. Een besef van rechten, plichten en een billijk evenwicht daartussen is een vorm van moraliteit. Dat chimpansees daar zeker besef van hebben blijkt goed uit de rol van onpartijdige scheidsrechter in conflicten door de alfaman. Dit veelvuldig waargenomen gedrag is onmogelijk zonder begrip van wat hoort en wat niet hoort… Bij intensief op elkaar betrokken in groepen levende individuen kan moraliteit kennelijk spontaan evolueren onder invloed van groep- en bindingsselectie. Moraliteit blijkt wederom een biologisch gegeven te zijn dat bij meerdere diersoorten kan worden waargenomen, net als wederzijds altruïsme, indirect altruïsme en economisch handelen. Wat goed is voor de groep, is daarom goed gedrag. Wat slecht is voor de groep, is daarom slecht gedrag” (p123/4).
TvE: Moraliteit als een biologisch gegeven valt in dezelfde categorie als wederzijds altruïsme.
DS: “Het individuele gedrag wordt als het ware geconditioneerd door beloning of straf door de leden van de groep. Het is van daaruit nog maar een kleine stap naar een geweten. Een geweten dat bij intelligente en gevoelige dieren gemakkelijk in zijn biologische context kan ontstaan, omdat de dader van een misdrijf na zo’n mislukking achterblijft met een slecht gevoel… De vraag is alleen of we zover moeten gaan in onze conclusies. Een chimpansee met een geweten, veel gekker moet het toch niet worden. Toch kunnen we niet om deze conclusie heen.
Het troostgedrag dat zo dikwijls is waargenomen geeft daarvoor krachtige aanwijzingen… We kunnen logisch afleiden dat een chimpansee een geweten moet hebben en dat geweten betrekt in de keuzes die hij maakt. In het verlengde hiervan beschikken chimpansees overduidelijk over wat wel een theory of mind wordt genoemd, het vermogen je in te denken in de gedachten van een ander. Die inschatting wordt ontleend aan signalen van een ander die worden gerelateerd aan de eigen ervaringen… Het is dit vermogen dat hen in staat stelt te veinzen, te bedriegen en grappen te maken” (p124/5).
TvE: Een geweten en een daarbij behorende theory of mind impliceert ook een zelfbewustzijn. Dat chimpansees en andere (zoog)dieren een bewustzijn hebben lijkt voor de hand liggend. Maar zelfbewustzijn is volgens bijvoorbeeld Ernst Schumacher een andere categorie. Hij onderscheidt vier niveaus van ‘zijn’ – mineralen, planten, dieren, en mensen – die van elkaar verschillen door de
vermogens van leven, bewustzijn en zelfbewustzijn. Hij zegt: “Het is buiten ons vermogen leven te geven aan levenloze materie, bewustzijn te geven aan levende materie, en het vermogen van zelfbewustzijn te geven aan bewuste wezens… Evolutie als een proces van het spontane, toevallige opduiken van de vermogens van leven, bewustzijn en zelfbewustzijn, uit levenloze materie, is volledig onbegrijpelijk”. Volgens Schumacher zijn er verschillen in aard (differences in kind) en niet eenvoudigweg graduele verschillen (differences in degree) tussen de vermogens van leven, bewustzijn en zelfbewustzijn. Vanwege deze ‘ontstijgende eigenschappen’ (emergent properties) hebben we nooit, en zullen we nooit, de ‘missing link’ tussen dieren en mensen vinden, zegt bijvoorbeeld ook Ken Wilber.
TvE: DS ziet ‘evolutie als een proces van het spontane, toevallige opduiken van de vermogens van leven, bewustzijn en zelfbewustzijn, uit levenloze materie’ wél als begrijpelijk. In Deel 1 Natuurlijke selectie hierboven werd al gezegd dat DS een positivistisch ontologisch standpunt inneemt. Zijn onderliggende vooronderstelling is dat de wereld materialistisch is. Dit onderstreept het belang van het zo vroeg mogelijk expliciet maken van ontologische vooronderstellingen in wetenschappelijke publicaties om mogelijke verwarring tussen collega’s en lezers te voorkomen.
Het is de filosoof David Chalmers die het begrip The Hard Problem of Consciousness op de kaart heeft gezet. Hoe vindt de overgang van materiële, fysische neuronale activiteit in de hersencellen naar subjectieve mentale ervaringen plaats? Zie 4. Deel III: Doen in: Van-Eijk-MvB.-Zijn-Denken-Doen-2025.pdf
Zie Beeld 1: Vier domeinen van ‘zijn’ volgens Schumacher in: Van-Eijk-MvB.-Zijn-Denken-Doen-2025.pdf
Volgens mijn interpretatie van het boek van DS gaat hij ervan uit dat er alleen differences in degree zijn tussen de chimpansee en de mens: er zijn alleen graduele verschillen, geen fundamentele verschillen in aard. Het is zonder meer waar dat DS zijn standpunten overtuigend weet te brengen, maar toch blijft het, voor mij althans, wringen. Men kan zich ook afvragen of het voor onze omgang met dieren überhaupt iets uitmaakt of er wel of niet fundamentele verschillen in aard zijn. Als die er wel zijn kan dat nooit een rechtvaardiging zijn om dieren onbehoorlijk te behandelen. Bij slechts graduele verschillen geldt hetzelfde.
4. Taal
DS: “Nu niet alleen is gebleken dat taal de enige functionaliteit is die ons wezenlijk onderscheidt van de chimpansee, maar dat die functie tevens nooit zonder een buitengewoon krachtige hersenfunctie zou kunnen bestaan, kan veilig de conclusie worden getrokken dat de oorzaak van de evolutie van grote hersenen bij de mens kan worden gevonden in taal” (p328). “De chimpansee communiceert met behulp van taal, zij het in de meest simpele en basale vorm… De constatering dat chimpansees communiceren met behulp van uiterst eenvoudige taal maakt overigens het taalkundige verschil met de mens niet kleiner. Dat is en blijft enorm, alleen de aard ervan is nu veranderd. Voor de zoveelste keer in de historie van het menselijke denken over chimpansees is het verschil niet langer absoluut. Het is gradueel geworden” (p347).
TvE: Hier onderschrijft DS dus dat het verschil tussen mens en chimpansee niet absoluut is, maar eerder gradueel.
DS: “Mentale constructies bestaan niet werkelijk… Het blijven interpretaties van de werkelijkheid. Dat ze die werkelijkheid begrijpelijk, hanteerbaar of voorspelbaar maken doet daar niets aan af. Taal en grote hersenen faciliteren met andere woorden min of meer spontaan een virtuele denkwereld… Taal kán worden geuit door spraak, maar het uitspreken van de boodschap kan ook achterwege blijven. Als de boodschap niet wordt geuit, zou je kunnen zeggen dat de persoon die de mentale taal boodschap samenstelt in zijn hoofd een virtueel gesprek met zichzelf is aangegaan… Taal verschaft de mens een uiterst sterk medium om zich van zichzelf bewust te worden, er innerlijke communicatie met zichzelf mee te faciliteren en er een relatief grote afstand tot het eigen lichaam mee op te bouwen” (p369/70).
TvE: Het gegeven dat ‘mentale constructies (gedachten of gevoelens) interpretaties van de werkelijkheid blijven’ is in overeenstemming met het constructivistisch paradigma. De meeste constructivisten zijn niet echt geïnteresseerd in het ontologische aspect van de werkelijkheid. Voor hen is kennis een sociaal proces tussen mensen en alle verwijzingen naar zogenaamd bestaande realiteiten, buiten of naast deze kennis, zijn in principe illusoir: zulke verwijzingen nemen de onontkoombare beperking van menselijke kennis niet serieus. Constructivisten laten in het midden of de uiteindelijke aard van hun sociaal-geconstrueerde werkelijkheid materialistisch of psychisch is. Zij nemen een agnostische positie in: zij zetten het bestaan van een eventuele universele (materialistische of psychische) werkelijkheid tussen haakjes.
De ‘innerlijke communicatie met zichzelf’ of de onophoudelijke inner talk is de continue gedachtenstroom, die slechts door het transcenderen van het rationeel-empirisch bewustzijn gestopt kan worden. De opmerking dat via het doorlopende innerlijk gesprek ‘een relatief grote afstand tot het eigen lichaam opgebouwd kan worden’ verwijst naar het onderscheid tussen
9 In Van Eijk (1998) worden drie verschillende, naast elkaar bestaande, wetenschappelijke paradigma’s onderscheiden: het positivistisch, constructivistisch en transcendentalistisch paradigma, waarbij het positivistisch paradigma dominant is. Deze drie paradigma’s worden uitvoerig gekarakteriseerd aan de hand van de volgende tien criteria: ontologie, epistemologie, methodologie, aard en rol van wetenschap, type en rol van rationaliteit, type van systeem, rol van voorlichting, grondhouding naar de natuur, spiritualiteit, en rol van intuïtie. Zie Van Eijk (1998): Tabel 8, p.123-6. Zie voetnoot 4.
Voor een discussie van de drie paradigma’s in het Nederlands aan de hand van zes criteria, zie hoofdstuk 2 in: Van Eijk T. (2017). Spinoza in het licht van bewustzijnsontwikkeling. Lulu.
lichamelijke emoties en mentale gevoelens (of gedachten). Dit onderscheid wordt vaak niet gemaakt wat tot verwarrende discussies kan leiden.
DS: “Door de mogelijkheid om met taal het denken bewuster en verinnerlijkt plaats te laten vinden kan gemakkelijk de illusie ontstaan dat in het eigen lichaam een afzonderlijke geest, of geweten zou huizen. Dit heeft sommige filosofen en denkers ertoe verleid met behulp van taal een strikte scheiding aan te brengen tussen lichaam en geest. Zo’n scheiding is in wezen een mentale constructie… Vanuit het evolutionaire perspectief lijkt een scheiding van lichaam en geest geen logische gedachte te zijn… Het ligt waarschijnlijk dichter bij de waarheid om niet van een geest te spreken, maar in plaats daarvan te zeggen dat een lichaam met zintuigen, hersenen en bestuurbare bewegingen verhuld kan denken en zichzelf als afzonderlijk individu expliciet kan plaatsen in de omgeving waarin het leeft.
De afstand die taal lijkt te scheppen ten opzichte van de eigen lichamelijkheid is in de biologische werkelijkheid uiteindelijk slechts schijn. Taal laat zich zo bezien andermaal beschouwen als een geweldig middel om de werkelijkheid hanteerbaar en begrijpelijk te maken, maar ook als een medium dat zuiver op zichzelf geen waarheid onthult en dat de gebruiker vanuit zijn eigen abstracte wereld gemakkelijk voor de gek kan houden” (p370).
TvE: DS zegt dat vanuit het evolutionaire perspectief ‘een scheiding van lichaam en geest slechts een mentale constructie is’. Dit wordt mogelijk gemaakt door het doorlopende innerlijk gesprek dat een afstand schept ten opzichte van de eigen lichamelijkheid (zie ook de voorgaande alinea). In deze context neemt Spinoza stelling tegen Descartes die uitgaat van twee substanties: lichaam en geest. Maarten van Buuren zegt dat de zijnsleer van Spinoza als monisme (enkelvoudigheid) staat tegenover het dualisme (tweevoudigheid) van Descartes. Spinoza beschouwt lichaam en geest als een twee-eenheid, die geschreven zou moeten worden als de twee-eenheid: lichaam/geest. Descartes’ dualisme (lichaam en geest) staat dus tegenover Spinoza’s revolutionair ontologisch monisme (de twee-eenheid lichaam/geest).
DS: “De beste generalisten hadden de grootste kansen en dat is precies wat de populaties met eerst taal en later grotere hersenen waren… Alle populaties zonder taal en grotere hersenen zijn uiteindelijk uitgestorven, ongeacht de streek waarin ze zijn ontstaan of verzeild zijn geraakt, als
gevolg van de hoge selectiedruk door de omgeving. Hun lijnen liepen in de [klimatologische] droogte dood… Het doet vermoeden dat de mens vrijwel zeker zou zijn uitgestorven als bij die ene deelpopulatie voorouders in de Slenk [in Oost-Afrika] taal niet net op tijd zou zijn doorgebroken… Alleen met taal en een groter intellect was de mens nog net op tijd in staat in een moeilijke omgeving de maaltijd te bereiden en roofdieren op afstand te houden. Zonder deze vaardigheden zouden de kansen voor overleving van onze voorouders vrijwel zeker tot nul zijn gereduceerd. Een goed gesprek heeft ons op het nippertje van de ondergang gered” (p430/1).
TvE: DS benadrukt hier het grote belang van taalontwikkeling en de daaruit voortkomende noodzaak van grotere hersenen en vervolgens de ontwikkeling van een groter intellect.
5. De reconstructie van onze stamboom
DS: “Het evolutionaire verschijnsel dat veranderingen in een soort zich langzaam in de tijd voltrekken zonder dat zich afzonderlijke soorten vormen staat bekend onder de naam fyletisch gradualisme. Dit concept past precies bij de aard van de evolutie van het leven… Evolutie wordt gekenmerkt door het van generatie op generatie stapelen van vaak kleine veranderingen, waardoor soorten evolueren zolang de individuen die samen de soort vormen voldoende fit zijn in hun
omgeving” (477). “Fyletisch gradualisme moet vanaf het ontstaan van onze soort binnen onze tak beslist de regel zijn geweest. Dit resulteerde in een lange rechte lijn met slechts vier zijtakken: de naakte mensen zonder taal en de Naledi-, Flores- en Luzonmens en alle vier zijn die om uiteenlopende redenen betrekkelijk kort geleden uitgestorven. Tegen deze achtergrond kan de volgende stamboom van onze soort te midden van onze Afrikaanse familieleden natuurgetrouw worden getekend” (p479/80).
TvE: In de literatuur worden maar liefst 6 geslachten waaronder Homo, met daarin opgenomen 24 soorten, onderscheiden en benoemd (p478). Volgens DS is er echter “geen goede wetenschappelijke grond om aan te nemen dat onze evolutionaire geschiedenis adequaat wordt samengevat in een struik met 25 takken” (p479).
DS: “Ons ontstaan was een volstrekt toevallige gebeurtenis… De nieuwe seksuele voorkeur van promiscue mannen voor vrouwen met weinig beharing op het lichaam… ontstond geheel toevallig en betrekkelijk willekeurig van binnenuit de soort” (p480) [Vrouwen verloren hun vacht als gevolg van het kindtransport en het wederzijdse vlooien. Weinig beharing op het lichaam werd zo een eigenschap die duidde op een bovengemiddeld reproductief succes, omdat de vrouwen die de meeste kinderen hadden gekregen het meeste haar hadden verloren, p245] “Ook zou de mens geruisloos van het biologische toneel zijn verdwenen als die ene populatie naakte mensen in Oost-Afrika ergens tussen 3,3 en 2,7 miljoen jaar geleden niet toevallig was gaan praten… Het is beslist niet overdreven om te stellen dat toeval in de evolutie van de mens de doorslag heeft gegeven… Toevallig gedrag was de beitel die het beeldhouwwerk van de mens heeft gevormd. De omgeving was slechts het schuurpapier” (p481/2).
TvE: Hier benadrukt DS de grote rol van toeval in de evolutie van de mens.
DS: “Vachtverlies moet de eigenschap zijn geweest die ons heeft gemaakt tot werkelijk álles wat we zijn. Een naakte, monogame, in familiegroepen levende, rechtop lopende, praatgrage, extreem intelligente en technisch hoogbegaafde primaat” (p378).13 “Doordat vrouwen hun vacht hadden verloren, werden moeders ertoe gedwongen hun kinderen actief in beide armen te dragen en op die manier konden ze in de bomen niet langer goed vooruit. Ondervoeding en gevaar lagen voortdurend op de loer. De enige uitweg die de vrouwen hadden was het aangaan van een seksueel monogame zorgband met een niet zo dominante en nog altijd behaarde man. Hij nam het kind van haar over en kort daarop verloor ook hij zijn vacht. Daarmee was de vorming van de menselijke soort een feit” (p485).
TvE: Vachtverlies staat dus aan het begin van de vorming van de menselijke soort. De NRC podcast ‘Onbehaarde Apen’ lijkt me een mogelijke ingang voor DS om meer aandacht te genereren voor zijn boek.
Zie p391/2 De naakte mens in het boek voor een beschrijving van het ontstaan van de eerste vier kenmerkende eigenschappen van de mens (naaktheid, monogamie, in familiegroepen levend, en rechtop lopend).
DS: “De conclusie is dat de reconstructie als waarschijnlijk correct kan worden beschouwd en in ieder geval voorlópig kan worden geaccepteerd. Waarom deze voorzichtigheid? Die is nodig, omdat het denkbaar is dat in de toekomst nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen worden gedaan die de reconstructie tegenspreken en zodoende ondergraven [er kunnen bijvoorbeeld nieuwe fossielen worden ontdekt]… Mochten er fossielen in de toekomst opduiken die de reconstructie falsifiëren dan zal ze geheel of gedeeltelijk moeten worden verworpen. Zolang dat echter niet het geval is, mag de reconstructie niet alleen worden aanvaard, maar krijgt ze ten overvloede voorspellende kracht. De reconstructie voorspelt dat dergelijk fossielen nooit zullen worden gevonden. Als dit allemaal juist is, iets waar we nooit absoluut zeker van kunnen zijn in een historische discipline als de evolutie van de mens, dan is dit de eerste volledige, sluitende…en voorspellende reconstructie van de evolutionaire geschiedenis van de mens die ooit is gemaakt” (p483).
TvE: Dat is in ieder geval – onder wat voorbehoud – een duidelijke conclusie. De volgende alinea’s stammen uit de Epiloog van het boek.
6. Verbondenheid
DS: “De mens is er eenvoudig en dankt zijn bestaan aan toeval en wetmatigheden en dat geldt ook voor al het leven om hem heen. Dit inzicht stelt ons in staat om ons meer dan wat ook ten diepste te verbinden met al het overige leven op deze wonderbaarlijke planeet… Alle bijna 8 miljard mensen van dit moment, in verhouding tot onze evolutionaire wortels een werkelijk duizelingwekkend groot getal, vinden hun oorsprong in een minuscule Oost-Afrikaanse populatie [ongeveer 15 duizend mensen]. Dat wil zeggen dat álle mensen die nu leven…door die gezamenlijke afkomst ten diepste met elkaar verbonden zijn… De vaak heftige strijd tussen hedendaagse menselijke groepen…is in dat licht bezien een nogal treurige gang van zaken. Onze geschiedenis fluistert ons in dat we veel meer met elkaar verbonden zijn dan we nogal eens geneigd zijn te denken” (p487).
TvE: Onze verbondenheid (broederschap, gemeenschap, saamhorigheid) kan gekoppeld worden aan het begrip ‘collectief bewustzijn’. De sociale wetenschappers Sorokin en Durkheim zeggen dat de maatschappij iets buiten en iets binnen ons is. De maatschappij heeft een objectief en subjectief aspect (concrete sociale structuren en een collectief bewustzijn). Het collectief bewustzijn van een groep mensen is het geheel van de met elkaar in wisselwerking staande menselijke geesten. Op Wikipedia wordt het collectief bewustzijn omschreven als het geheel van gedeelde overtuigingen, ideeën en morele attitudes die fungeren als een verenigende kracht binnen de samenleving. Het integrerende aspect van het collectief bewustzijn wordt hier benadrukt. De wisselwerking tussen maatschappelijke structuren en individuele actoren vindt plaats via het collectief bewustzijn.
DS: “Van wetenschappelijke kennis wordt wel gezegd dat ze geen bron van zingeving kan zijn, dat ze daarvoor te kil en te rationeel is en daarom geen verbinding zou kunnen leggen tussen mensen. De op de voorgaande bladzijden opgebouwde reconstructie van onze evolutie laat zien dat die stelling beslist niet langer houdbaar is. De reconstructie steunt namelijk volledig op wetenschappelijke kennis en die vertelt ons dat alle biologische soorten en alle mensenvolken even bewonderenswaardig zijn in hun evolutionaire reis naar het heden, dat ze daarom waardering en respect verdienen en het waard zijn om gekoesterd te worden. Er is weinig dat mensen meer met het leven en elkaar kan verbinden dan dat” (p487/8).
TvE: De opmerking dat ‘wetenschappelijke kennis te kil en te rationeel is om verbinding te kunnen leggen’ wordt bevestigd door Spinoza die zegt dat de rede een neutrale, onthechtte, afstandelijke gemoedsaandoening creëert, zonder veel affectieve lading, waardoor de impact op daadwerkelijke gedragsverandering vaak gering is.15 De rede draagt helaas geen motiverende component tot gedragsverandering en verbinding in zich. De huidige klimaat- en biodiversiteitscrises lijken dit te bevestigen.
7. Onze biologische drijfveren
DS: “In de evolutie zijn onophoudelijk individuen met een onverbiddelijke strengheid geselecteerd op hun vermogen zich te voeden, in veiligheid te brengen en voort te planten. Deze drijfveren voor het leven zijn daardoor zo diep in de biologische wortels van de mens verankerd dat dit zijn gedrag tot in de haarvaten van zijn wezen heeft bepaald… De biologische drijfveren die hij gemeen heeft met al het andere leven zullen als vanouds de boventoon voeren in zijn gedrag en de enorme aantallen mensen van dit moment illustreren dit misschien wel treffender dan wat dan ook. Elke soort wordt nu eenmaal biologisch geselecteerd op zijn voortplantingsvermogen, bij de mens is dat niet anders… Het is de biologische aard van elk wezen… Als deze op de biologie geïnspireerde analyse juist is, houdt dit niet als vanzelf ook een morele rechtvaardiging in van de hoge rekening die de mens momenteel aan de rest van het leven presenteert” (p488/9).
TvE: Hoewel de biologische drijfveren diep zijn verankerd in ons gedrag geeft dat geen morele rechtvaardiging om de rest van het leven op deze planeet te veronachtzamen. De onderliggende vraag is dan hoe we deze sterke biologische drijfveren kunnen temperen?
DS: “Als dit de enige les is die getrokken wordt uit onze biologische geschiedenis, dan is dat mogelijk te weinig, want hoewel niets zeker is, valt te vrezen voor de toekomst van de mens als hij teveel schade blijft berokkenen aan het leven om hem heen… De groei van de menselijke populatie vertaalt zich blijkbaar in een omgekeerd evenredige afname van de biodiversiteit… Als we deze trend niet keren, is het beslist niet ondenkbaar dat…de mens aan zijn eigen ongebreidelde biologische succes ten onder gaat. Met zijn korte aanwezigheid op aarde zal hij dan niet meer zijn dan een evolutionaire eendagsvlieg” (p489/90).
TvE: Hoe kunnen we voorkomen dat we aan ons eigen ‘ongebreidelde biologische succes’ ten onder gaan? We hebben hierboven al gezien dat gebruik van alleen de rede hoogstwaarschijnlijk niet afdoende zal zijn.
8. Wijsheid
DS: In de laatste sectie van zijn boek getiteld De wijze mens? zegt DS: “Paradoxaal genoeg verschaft de moraalloze natuur de mens het intellect waarmee hij zijn positie in het leven kan beschouwen en zo alsnog van een moreel oordeel kan voorzien. Met dat intellect kan hij terugkijkend op zijn evolutie inzien dat zijn huidige succes in de kern is mogelijk gemaakt door empathie, wederzijdse hulp, verbinding met anderen en zorg voor elkaar… Het was steeds de verbinding met anderen die de doorslag gaf in de talrijke en lang aanhoudende moeilijke tijden die onze soort gekend heeft. Onze evolutie laat daarmee zien dat mededogen en hulp aan soortgenoten evolutionair voordelig kan zijn…
Evolutie selecteert fitte individuen, dat is altijd zo geweest en zolang er leven is zal dat zo blijven, maar fitheid mag kennelijk niet gelijk worden gesteld aan zelfzuchtigheid. Ook verbinding met anderen en zorg voor elkaar verhogen de fitheid van een individu en wij zijn daarvan het rechtop lopende bewijs. Dit inzicht maakt ons moreel schatplichtig aan het leven buiten onze soort. Het biedt bovendien een veelbelovend aanknopingspunt voor de wijze waarop we met de soorten om ons heen zouden kúnnen samenleven” (p490).
TvE: In ons evolutionaire proces is gebleken dat empathie, wederzijdse hulp, verbinding met anderen, zorg voor elkaar en mededogen zeker evolutionair voordelig kunnen zijn. Dit zou in principe inderdaad ‘een veelbelovend aanknopingspunt kunnen zijn voor de wijze waarop we met soortgenoten en de soorten om ons heen zouden kúnnen samenleven’. Maar helaas blijkt dat gebruik van de rede of het intellect niet altijd noodzakelijkerwijs in moreel verantwoord gedrag resulteert. Een hoog ontwikkeld intellect is geen garantie voor wijs gedrag.
Wijsheid verwijst naar inzicht in maatschappelijke of omvattende rationaliteit en in ecologisch en maatschappelijk verantwoord gedrag. Het verwijst naar iets dat voorbij het discursieve, stap-voor-stap denken ligt. Ernst Schumacher zegt dat “we nu veel te slim zijn om zonder wijsheid te kunnen overleven”.16 In het in wezen onvoorspelbare en grotendeels oncontroleerbare levensproces lijkt een vermogen om wijze, vooruitziende beslissingen te kunnen nemen onmisbaar. In deze context kan wijsheid aan intuïtief functioneren worden gekoppeld.
DS: “Het lijkt de hoogste tijd om de verbinding met anderen op te schalen en niet langer alleen maar toe te passen op onze eigen soortgenoten in het gezin, de familie, de vriendenkring, de buurt, de stad of het land waarin we leven… Er is een perspectief voor het voortbestaan van de soorten waarmee we de wereld delen en daarmee ook een perspectief voor de toekomst van onszelf. Als wij ruimte bieden aan ander leven, krijgen we daar ons eigen voortbestaan voor terug” (p490/1).
TvE: Gezien de huidige klimaat- en biodiversiteitscrises is er een dringende noodzaak om de verbinding met zowel soortgenoten als anderen op te schalen. Er is sprake van steeds omvattender ecologische en sociale systemen (van enkelvoudig individu → kerngezin → familie → tot de gehele wereldbevolking). Maar wat betekent de integratie in steeds wijdere, meer omvattende concentrische cirkels (in zowel ecologische als sociale systemen) in de praktijk? Bij wijdere concentrische cirkels van groepsleden wordt de samenwerking steeds moeizamer. Vriendschap met velen is nu eenmaal onmogelijk. Bij grotere groepen zijn steeds meer abstracte regels nodig om de samenwerking te organiseren. Dat vereist weldenkendheid wat normaliter een schaars goed is. Uiteindelijk is het hemd vaak nader dan de rok. Hulp en samenwerking blijven vaak beperkt tot familieleden (in Afrika tot de extended family). Burenhulp wordt ook minder vanzelfsprekend bij een wereldwijd toenemende verstedelijking.
De meest wijde concentrische cirkel, de mensheid, is een abstractie die niet noodzakelijkerwijs veel empathie oproept. Hier is het begrip collectief bewustzijn relevant. Hoe wijd reiken de concentrische cirkels van het collectief bewustzijn? De mate van gemeenschapszin is een directe weerspiegeling van de coherentie en kwaliteit van het collectief bewustzijn. De vraag is hoe wijd de cirkels van vertrouwen opgerekt kunnen worden. Vertrouwen we alleen onze naaste familie of alle wereldburgers – de twee extremen op een continuüm. Idealiter omvat de cirkel van insluiting alle wereldburgers, maar het promoten van daadwerkelijk wereldburgerschap is niet eenvoudig.
Spinoza’s sleutelbegrip eigenbelang is hetzelfde als egoïsme en dat negatief klinkende begrip brengt ons terug bij het schijnbaar onoplosbare probleem van een groep individuen die ongelimiteerd hun eigenbelang nastreven, resulterend in een oorlog van allen tegen allen. Spinoza lost dit cruciale probleem van het liberalisme op door uit te gaan van het concentrische ik. De begrippen eigenbelang en nut moeten in collectieve zin worden herzien.
Maarten van Buuren schrijft in deze context: “Eigenbelang is het belang dat gediend wordt als de gemeenschap als geheel profiteert van de inspanning die de leden doen om zich als onderdelen dienstbaar te maken aan een steeds hechter georganiseerd en organisch geheel. Nut, eigenbelang en geluk nemen volgens Spinoza toe naarmate de sociale integratie toeneemt. Hoe hechter de
samenleving, des te meer nut deze integratie afwerpt voor elk van de afzonderlijke leden… Welvaart is de vrucht van samenwerking binnen een gemeenschap. Hoe hechter de samenwerking, des te meer welvaart, hoe wanordelijker de organisatie, des te geringer welvaart”.
De integratie dient ook ruimte te bieden aan ‘ander leven’ om zodoende de ook voor ons essentiële biodiversiteit te kunnen herstellen en handhaven. Of de ecologische en sociale systemen toekomstbestendig gemaakt kunnen worden hangt vooral af van de coherentie en kwaliteit van het collectief bewustzijn, dat op zijn beurt afhangt van het niveau van individueel bewustzijn.
Uiteindelijk wordt het collectief bewustzijn gevormd door individuele ‘bewustzijnden’. Effectieve technieken voor bewustzijnsontwikkeling die resulteren in Bildung, morele vorming en uiteindelijk in ecologisch en maatschappelijk verantwoord gedrag zijn broodnodig.
DS: “Onze intellectuele rationele schil, hoe indrukwekkend die op zichzelf ook is, is ontstellend dun als het gaat om de invloed die ervan uitgaat op ons praktische handelen ten aanzien van onze diepgewortelde drijfveren rond voeding, veiligheid en voortplanting. Dat geeft reden tot de diepst mogelijke bezorgdheid. Het is beslist de vraag of de mensheid als collectief in de nabije toekomst in staat zal zijn om over zijn eigen biologische schaduw heen te springen en samen met ander leven nog vele duizenden jaren lang verder te evolueren… Met veel geluk en wijsheid zijn we er misschien nog over enkele duizenden jaren en kijken we dan net als nu weer achterom. Laten we hopen dat we ons niet voor onszelf hoeven te schamen en dat we met recht trots kunnen zijn op onze zelfgekozen naam, Homo sapiens” (p491).
TvE: Onze intellectuele rationele schil is inderdaad behoorlijk dun vergeleken met de invloed die onze diepgewortelde biologische drijfveren hebben op ons praktisch handelen. Het intellect of de rede genereert niet noodzakelijkerwijs wijsheid. Homo sapiens betekent letterlijk ‘de wijze mens’ of ‘de denkende mens’ of ‘de verstandige mens’. Sapiens is afgeleid van het werkwoord sapere, dat ‘weten’ betekent. Iets ‘weten’ houdt geenszins in dat men wijs of verstandig gaat handelen. De huidige ecologische en maatschappelijke toestand op de aarde geeft aanleiding tot de vraag of het rationeel-empirisch denken erin zal slagen tot wijs gedrag te komen. Zoals eerder opgemerkt was Spinoza van mening dat de rede geen motiverende component tot gedragsverandering in zich draagt (zie Deel 6). Hij merkte tevens op dat intuïtie ‘de hoogste kennisvorm’ is, maar ongelukkigerwijs zegt hij verder bar weinig over intuïtie.
Tenslotte
DS heeft een interessant en relevant boek geschreven dat zonder twijfel meer aandacht verdient. Op zijn website zijn ook blogs te vinden die ingaan op de verschillende thema’s in zijn boek.
Rest mij om een heel gering aantal typefouten te melden: p224: aan het eind van de voorlaatste alinea: In dat geval zal het geheel zal meer … En in de Inhoudsopgave: Het laatste subhoofdstuk: De stamboom van de Afrikaanse mensapen.